woensdag
16
september
Prachtige uitvinding!
Hier ligt mijn grootmoeder
Weg is de tijd dat ze
Zanikt en zeikt
Fijn dat ze nu in haar
Levendeschimmelkist
Toch nog postuum
Haar omgeving verrijkt
Theo Danes
woensdag
9
september
Oud liedje
Agatha Seger
(1902-1993)
dinsdag
8
september
Heb mij lief, gelijk ik ben
Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan
– Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn –
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen. Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel....
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar?
Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of – als gij praten wilt – spreek gij tot mij.
Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken, als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen....
Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek – of naar het klokgetik –
Of 'k laat de stilte ruischen om ons heen,
– Die ruischt zoo prettig, als de menschen zwijgen –
Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte
– Of ons gesprek – verbreken met mijn vraag:
‘Zeg, zijt ge ook blij, dat ik hier naast u zit?’
Spraakt gij dan ‘ja’, dan zei ik zacht: ‘Ik ook’...
En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.
Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Nieuwe Verzen (1909)
maandag
7
september
Macte Animo
Ik moet er niet van weten, van die zuidsche vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de boomen kneuteren gaan
dat ’t jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.
Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert,
vernieling?
Zijt gij het, God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u den geest, Noodlottigheid?
Gij die vandaag den hemel kuischt van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
– Mijn zonnig land... mijn verten... mijn jong leven...
Kameraad,
nicht
raisonniren... weer u scherp, en eind als een soldaat!
Albrecht Rodenbach (1856-1880
zaterdag
29
augustus
De ploeger
–
Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren,
ik sta in uwen dienst zonder bezit.
Maar ik ben rijk in dit:
dat ik den ploeg van uw woord mag besturen,
en dat gij mij hebt toegewezen
dit afgelegen land en deze
hoge landouwen, waar – als in het uur
der schafte bij de paarden van mijn wil
ik leun vermoeid en stil –
de zee mij zichtbaar is zover ik tuur.
–
Ik vraag maar een ding, kracht
te dulden dit besef, dat ik geboren ben
in ‘t najaar van een wereld
en daarin sterven moet.
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
weemoed mij talmen doet
tot ik welhaast voor u verloren ben.
–
Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in den oogst geloven
waarvoor ik dien…
–
Opdat, nog in de laatste voor,
ik weten mag dat mij uw doel verkoor
te zijn een ernstig ploeger op de landen
van een te worden schoonheid; eenzaam tegen
der eigen liefde dalend avondrood –
die ziet beneden aan den sprong der wegen
de hoeve van zijn deemoed, en het branden
der zachte lamp van een gelaten dood.
–
dinsdag
11
augustus
Bedtime-boutade
Wanneer Professor slapen gaat rond den elven,
Is hij gewis en zeer ten rechte moe:
Den heelen dag in Plinius zitten delven,
En dan studenten – deksels – nog aan toe!
Hetzelfde geldt voor Celestijn van ’t hoekje,
Die druppeltjes verkoopen moest en dronk;
Voor doppers die rij-schoven met hun boekje,
En voor des pasters meid die ’t zilver blonk.
En verder voor de wroeters uit gewelven,
Barbieren, beelaars, clowns en Miss Turkij,
En dan ten slotte nog voor Hoogstdezelve,
Die heel den godschen dag moest koning-zijn.
Die allen gaan terecht vermoeid dus slapen,
(Toch niet zóó moe dat ’t hen niet slapen doet),
Bedanken God gelijk rechtschapen schapen,
En droomen (zoo ze droomen) droomen zoet.
Helaas – zooveel valt niet elkeen ten deele!
Er zijn er (‘manekijkers’ noemt men hen)
Waarvan de nacht niet sluit d’ontstoken scheelen,
Maar tranen afperst in een stompe pen.
Zij delven – dwazen – in hun ‘vrije’ uren
Naar een gewijd geheim dat duur zich wreekt,
Ontvangen gratis ’t oordeel van hun buren,
Terwijl hun eigen geest hun hart doorsteekt.
Geven hun geld, laten zich handicappen,
Riskeeren ’t à l, hebben bij vrouwen pech,
Geven hun haar en ziel, tellen geen klappen, –
Kortom: zijn duts èn held. En slapen slecht.
Johan Daisne (1912-1978)
vrijdag
31
juli
Letterfeest
Vanavond vieren ze hun eigen feestje
En komen kleurig uitgedost bijeen
Niet slechts in saai zwartblauw zoals voorheen:
De sjeu is trend bij menig letterbeestje
Gejoeld wordt er, geklonken en gedanst
De glazen worden alsmaar volgeschonken
De wulpse s begint voor tien te lonken
Warempel, zelfs de stijve u die sjanst!
Zijn vriend de q kijkt scheef, hij is eenkennig
Een polonaise zwiert naar de foyer
Gebroederlijk op kop gaan n en e
De vreemde x wil niks, voelt zich onwennig
Het gros is op het einde aangeschoten
Een lachbui overmant de zatte h
Ruig aan het klooien zijn de l en k
Alleen de m staat stevig op zijn poten
Inge Boulonois (1945)
uit: Vers gekruid (2020)