dinsdag 30 juli 2024

 

dinsdag

30

juli

 

Gelukkig leven

De luchte dans te zien van Nimfen en van knapen;
Te spelen op de fluit in ’t levenwekkend woud;
Zijn tijd te slijten met een aangename kout,
Of met het hoeden van een kudde onnoozle schapen.

Somwijl eens in de dag een lustig gat te slapen;
Te zien op zijnen dis de smakelijkste wijn;
Van ziekte of ongemak nooit aangedaan te zijn;
Nooit leëg te zitten; nooit te geeuwen noch te gapen.

Te minnen wie men wil; te vluchten d’echtenband;
Te hebben geld, en goed, en huis, en hof, en land,
Opdat men billijk mag aan elk het zijne geven.

Te volgen met ontzag des Hemels wijze wet;
Te houden zijn gemoed van misdaën onbesmet;
Da’s een genoeglijk, da’s een gelukkig leven.




Dit klinkdicht is zonder de Letter R

 

Theodoor van Snakenburg (1695-1750)



maandag 29 juli 2024

 

maandag

29

juli

 

Ik Hou Van Mij

Ik hou van.. mij
hoor je nooit zingen
Ik hou van mij
wordt nooit gezegd
maar ik hou van mij
ga ik toch zingen
want ik hou van mij, van mij alleen en ik meen het echt, hehehehe!

Ik hou van mij, want ik ben te vertrouwen
Ik hou van mij, van mij kan ik op aan
Ik hou van mij, op mij kan ik tenminste bouwen
Ik hou van mij en ik laat mij nooit meer gaan!

Ik blijf bij mij, en niet voor even
Ik blijf bij mij, voor eeuwig en altijd
ben zelfs bereid mijn leven voor mezelf te geven
ik blijf bij mij, totdat de dood mij scheidt!

Ik hou van jou
zeg ik soms ook wel
Ik hou van jou, schat en ik meen het echt
maar ik hou van jou zeg ik alleen maar voor de spiegel
zo komt ik hou van jou weer bij mezelf terecht, heeey! Ik hou van mij, van mij, van mij
en van geen ander, yeah yeah!
Want ik ben verreweg, de leukste die ik ken, jeuh
Ik hoef mezelf zonodig ook van mij niet te veranderen
ik hou van mij mezelf, gewoon zo als ik ben

Want ik hou van jou
betekent meestal:
schat, hier heb je mijn problemen, los maar op, jeuh!
ik leef in een hel en verwacht van jou de hemel (ja)
Je geeft de hel weg, dank je wel zeg,
rot lekker op

Want houden van een ander,
dat heb jij alleen maar nodig
omdat je niet genoeg kan houden van jezelf
Hou van jou joh, maak de ander overbodig,
want ware liefde, geloof me, begint áltijd
bij jezelf

want ik hou van jou is niet de sleutel tot de ander
maar ik hou van mij, al klinkt het bot en slecht
want wie van zichzelf houdt, die geeft pas echt iets kostbaars
als ie ik hou van jou tegen een ander zegt

 

Harrie Jekkers



vrijdag 19 juli 2024

 vrijdag

19

juli

Penelope schrijft Ulysses

Dit is een brief die Penélopé stuurt aan je, lakse Ulysses.
     (Nee, hoef geen brief terug,
kom maar in eigen persoon.)

Troje, dat wij Griekse meisjes zo haatten, ligt plat. Zo’n gedoe voor
     Priamus? Heel die stad?
Had niet gehoeven voor ons.

O was die echtbreker tóen maar op weg met zijn vloot richting Sparta
     opgeslokt voor hij daar was,
dit door een zee, ziek van drift;

ík zou het – A – niet zo koud hebben, hier in dat troosteloos bed en –
     B – zou niet (steeds zielsalleen)
klagen dat elke dag kroop.

Ook kreeg mijn weduwenhand niet terwijl ik de nacht weer ontliep – waar
     toch al geen eind aan komt –
kramp van dat weefgetouw.

En die gevaren! Veel erger dan echte! – Wanneer was ik níet bang? –
     Dat is het hele probleem:
liefde maakt flink ongerust.

Woeste Trojanen die jou te lijf gingen. (Zag ze zó voor me:
     Hector! Alleen bij die naam
stikte ik al van angst.)

Als iemand zei dat Antilochos dit keer op zijn beurt gedood was,
     zat ik natuurlijk meteen
over Antilochos in.

En toen Menoites’ zoon sneuvelde, ondanks de truc met de rusting,
     huilde ik weer omdat list –
slim zijn – je ook soms niet helpt.

Toen Tlepólemus’ bloed een Lycische lans lauw gemaakt had
     was ik opnieuw overstuur
door Tlepólemus’ dood.

Steeds als, kortom, in het kamp van de Grieken een stierf werd het hart van
     een hier, die veel van je houdt,
kouder dan ijs van schrik.

God had het goed met me voor, hield vast met mijn zuivere liefde
     rekening: Troje is as.
Mijn held heeft Hij gespaard.




Ovidius (43 v.C. - 17 n.C.)

vertaling: Harrie Geelen (1939)

vrijdag 12 juli 2024

 vrijdag

12

juli

 

Het ongenoemde meisje

Er woont een meisje hier omtrent,
Dat ik wel ken, dat mij wel kent:
Geen ander heeft mijn hart dan zij,
Geen ander heeft ze lief dan mij;
De Schepper schiep ons voor elkaâr:
Zij past aan mij als ik aan haar.

Wie goud en zilver zoekt op de aard’,
Is zulk een schat als zij niet waard,
Want hij, die haar in de armen houdt,
Heeft meer dan zilver, meer dan goud.
Geen man zoo rijk – zoo zalig geen,
Als die haar lief heeft – haar-alleen.

Der nachtegalen zang is schoon,
Maar tienmaal schooner is haar toon:
Haar stem doortintelt merg en bloed;
Geen ziel, die zij niet smelten doet;
Geen booswicht is er, als zij zingt,
Wien niet een traan in de oogen dringt.

Zij zweeft, als had zij wiekjes aan:
Haar zooltje laat geen indruk staan.
Haar vlechten zijn als ravengit,
Haar boezem is als zwanenwit;
Geen enkel sproetje vlekt haar kin
En ’t englenzieltjen evenmin.

Wie zulk een meisjen ooit ontmoet,
Zoo schoon, zoo rein, zoo engelgoed;
Wie 't orglen van een stem vernam,
Zoo fraai of ze uit den hemel kwam,
Geloof hij ’t vast — bezweer hij ’t vrij:
Dat is mijn meisje! dat is zij!

Er woont een meisje hier omtrent,
Dat ik wel ken, dat mij wel kent:
Ik zeg noch zing het, hoe zij hiet,
Ik noem mijn naam, mijn woning niet,
Maar komt dit rijmpjen ooit in ’t licht,
Zij weet terstond wie ’t heeft gedicht.




Hendrik Tollens (1780-1856)


dinsdag 9 juli 2024

 

dinsdag

9

juli

Christophorus

Christophorus had van ’s morgens vier
Tot ’s avonds zeven als een lastdier
Door de gezwollen rivier gewaad.
Nu wou hij rusten en eten; maar kwaad
Bedacht hij, er was geen brood in de kast.
En nú nog naar ’t dorp gaan was te veel last.
Bovendien — een veer zonder man op post?
‘Dan maar lawaaisaus en flauwe kost.’
Hij smeet zijn vetlaarzen fluks in een hoek,
Scharrelde (op kousen, in onderbroek)
Uien en meel bijeen in de pan
Met een scheut melk; ... at lekker er van. —
Daar klonk de bel, overzijds, in de biezen.
Een heilige zou zijn geduld verliezen,
Bromde Christophorus, en keek door het raam.
Een hummeltje stond ginds zoo klein en eenzaam,
Dat hij met een vaart in zijn laarzen schoot,
En ’t water instapte, dat ’t hoog opspoot.
Hij sprak heel vriendelijk: wel, kleine broer,
Zet je maar als ruitertje op mijn schoêr,
En neem maar als teugel mijn lange haar.
Zit je goed? Stuur je goed? Dan zijn we klaar.
Het was een klein ventje, maar wát was hij zwaar.
En het water rees hooger dan sinds dag en jaar.
Soms voelden zijn voeten geen bodem meer,
En de jongen drukte hem dieper nêer.
En hij riep: wij verdrinken! maar God zij geloofd!
En het kind zeide: leef! gij draagt God op uw hoofd!
En hij rees, en hij voelde met voet en stok
Weer grond, en hij viel aan land met een schok.
En lachend stond voor hem in lichtglans gehuld
Het kind, en het vroeg: hoe groot is mijn schuld?
Maar de veerman zei: die de Wereldheer droeg,
Had ’t ál in zijn armen, en dat is genoeg.
En toen sprak Jezus: gij zult tot uw dood,
Ter herinnering aan uw Heer in zijn nood,
Christophorus heeten; uw leven en lot
Zal veilig gedragen zijn door uw God.
In ’t donker stond lang de veerman alleen
En schudde zijn hoofd en krabde zijn been,
En trad binnen, en at zijn koud maal uit de pan,
En ging slapen als een gelukkig man.




Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Eenvoudige gedichten (1939)



maandag 8 juli 2024

 

maandag

8

juli

 

De sluis

De stilte en koelte waren weergekeerd,
Het nachtlijk feest lag als een glas versmeten.
— Ik heb dit late donker nooit vergeten,
Want deze dingen blijven ongedeerd.

Een ongeweten, innerlijk geweld
Had naar een zwart kanaal mij heengedreven.
— Het was het uur, dat de wiekslag van ’t leven
Weer trilt in die de slaap heeft neergeveld.

Daar hoorde ik het vervoerende geruis:
— Wateren, die van vóór de tijden bronden,
Bezweringen van lang-gestorven monden —
Het zachte stromen door de nauwe sluis.

Ik stond, alleen gebleven, ongekend,
In doodlijke verrukking opgetogen,
Naar onweerstaanbre diepten neergezogen,
Gebannen in het ademloos moment.

— Toen werden ’t water grijzer en de straat,
En ging hun nachtelijk geheim verloren,
En boven donkre huizen werd geboren
Een kille en groezelige dageraad.



J.C. Bloem (1887-1966)
uit: 
Media vita (1931)



vrijdag 28 juni 2024

 

vrijdag

28

juni

 

Het vergeet-mij-nietje

Ik zal de achteruitgang prijzen
Als planten uit de dood herrijzen,
Gebluste kleuren weer gaan gloeien
En dorre heesters weer gaan bloeien;

Als regen weer ten hemel stijgt,
Gesnoeid gewas zijn vorm herkrijgt,
Geholpen door des tuinders hand,
Die brandnetels heeft teruggeplant,

Die mest wegnam, en liter voor liter
Het water opzoog met een gieter;
Die vruchten aan de bomen hing
En de slak terugzet waar hij 'm ving.

Bij het teruggaan in de tijd
Blijkt het Liesje zonder vlijt,
De Prijs onteerd, het hele stelletje,
Waaronder het Vergeet-mij-welletje,

Gaat van achteren naar voren:
De Dovenetel kan weer horen,
Geen Schade huist meer in de Nacht,
De Hondsdraf is tot staan gebracht.

Zie de gekapte bomen groeien,
Zie 't koeltje met de blaren stoeien
Die van de grond af naar de takken
Omhooggaan en er blijven plakken.

De tuinder, nog vermoeid maar vlug,
Harkt onkruid in het perk terug
Dat van de compost werd gehaald
Nadat de rook was neergedaald.

En gaat hij straks weer rugwaarts henen,
Dan is zijn moeheid ook verdwenen;
Maar eerst zijn er nog zware taken,
Zoals het gras weer langer maken.

De klimop daalt, het ooft wordt kleiner,
De bloem wordt knop, de twijgjes fijner,
Dan kruipen alle planten traag
En eenzaam in de grond omlaag.

Waarop de tuinder aan komt draven
Om het zaaizaad uit te graven;
Er zitten ook wat zaden tussen
Die uitgespuugd zijn door de mussen.

Vervolgens gaan de tere zaadjes
Zorgvuldig in de juiste laadjes.
Dan loopt de tuinder achteruit,
Zie hoe hij blij zijn schuurtje sluit.

Maar voor 't vertrek wordt nog discreet
de vogelverschrikker uitgekleed;
Nu ligt de grond weer woest en ledig,
Stil en verlaten, maar ook vredig.



Rudy Kousbroek (1929-2010)