vrijdag 7 november 2014


Donderdag


6

november



zij had een heel klein handje om te slaan

met zeven gouden vingers en een watermerk – 
een handje adem voor een glazen kerk – 
en zeven kleine voetjes om te staan.



zij had een hoofdje als een nachtcitroen
en vleugeltjes als een bevroren ruit –
haar haren waaiden voor haar voetstap uit
(zij was er steeds; was ze een visioen?).



zij had een heel klein handje om te slaan
en zeven mondjes om het daglicht uit te blazen,
zij had een mei-lichaam waarom een glazen
stolp. zij had een maan-lichaam bij volle maan.





Neeltje Maria Min (1944)
uit: Voor wie ik liefheb wil ik heten (1966) 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen