zondag 20 maart 2016

Zondag



20


maart


Wie heeft het kwaad geschapen?

O bron van hoop, o kiem van zwarte ellende!
Wie heeft het kwaad geschapen en den nood,
wie schimmel en het giftig duivelsbrood,
wie schurftig zaad, der driften dolle bende?

Wie haat en nijd, de paarse, de ongemende?
Wie ziekte en pest, en de angsten van den dood?
Wie wanhoop en verraad en 't gloeiend lood
des twijfels; wie den drang naar 't onbekende?

Wie heeft het kwaad omtooverd met genot,
en 't na doen sleepen rouw en walg en lijden?
Wie zond de straf en uitzicht op bevrijden?

Kom in deze onrust mij te hulp, mijn God;
ontsluit voor mij de poorten van 't begrijpen;
laat voor mijn ziel de vrucht der kennis rijpen.




Jef Mennekens (1877-1943)
uit:
 Chrysanten (1938)

zaterdag 19 maart 2016

Zaterdag



19


maart


Zichtkaart
Nu deze weken weer voorbij 
ritselen in hun morsbruine jassen 
en bomen oude briefjes sturen 
naar de zakken zaad van distels, 
mosterdplanten en de rest 
en steeds op hoop 
van minstens dertigvoudig vrucht,
nu mijn haren witter dan de mist 
en alles anders sinds ik me 
het eerste licht herinnerde, 
schrijf ik een mondvol 
ogenblikken op een blad
papier. Tijd is een hand 
die strooit. Er is een palm 
die wacht. En al die jaren 
zocht ik maar in wat rondom verschijnt. 
Vergeefs: wie nooit weg is, 
wordt niet gezien –
Inge Boulonois (1945)

uit: Idioom van Geluk

donderdag 17 maart 2016

 Donderdag



17


maart


Kraai & Roek

Bederf & rot zijn langzaam aan ’t ontwaken
en door de schoorsteen klinkt de holle roep
van najaarswind terwijl de erwtensoep
flink ingedikt op stoom begint te raken.

Een oude held gaat bij gebrek aan draken
de strijd aan met het herfstblad op zijn stoep,
een dichter zit te midden van die troep
een muf product van najaarsleed te maken.

Hij zou wel over lente willen zingen
maar woorden raken halverwege zoek
of zijn niet uit zijn strottenhoofd te wringen,

gevangen tussen jammerklacht & vloek
noteert hij de teloorgang van de dingen
in teksten voor het duo Kraai & Roek.


Otto van Gelder

donderdag 10 maart 2016

 Donderdag



10


maart

Arleblanc

De zon komt 's morgens op, gaat 's avonds onder
En brengt ons tussentijds haar warme licht
Ze stemt daarmee een ruim publiek tevreden
Het antwoord op een vraag van lang geleden
- Waar blijft ze na haar dagelijkse plicht -
Bracht pas in amishkringen veel gedonder

Dus zou professor Sung, het is geen wonder
- Als bijbels astronoom een zwaargewicht -
Aan deze kwestie veldwerk gaan besteden
Hij volgde haar voorbij de kim, maar heden
Verscheen zijn niet-bevestigd doodsbericht
Dat maakt zijn laatste boodschap zo bijzonder

.. .-. / --.. .- .-.. / -.. . / .-- . .-. . .-.. -../
-... .. -. -. . -. -.- --- .-. - / -... . .-- -.-- --.. . -./
. .-. / .. ... / --. . . -. / --- -. -.. . .-. --. .- .- -. /
... .-.. . -.-. .... - ... / . . ..- .-- .. --. /
.-. -.-- --.. . -. //
De vertaling van deze morsetekst luidt:

Ik zal de wereld binnenkort bewijzen:
Er is geen ondergaan, slechts eeuwig rijzen
Frits Criens

De laatst twee woorden ‘Eeuwig rijzen’ hebben de titel opgeleverd voor de bundel waarin Arlelanc, vernoemd naar een camping in de Ardèche waar het gedicht is ontstaan, is opgenomen. Uit: Eeuwig rijzen, verschijnt 25 maart bij uitgeverij de Contrabas, Utrecht-Leeuwarden.

vrijdag 4 maart 2016

 Vrijdag



4


maart


't Is lang geleden

En voor den eten, 's middags, werd de zegen
Gevraagd van 'Vader, die al 't leven voedt,'
En die zo trouw 'ons spijzigt met het goed,'
Dat wíj wèl 'van Zijn milde hand verkregen'.

Hij gaf de zon, en, als 't moest zijn, de regen;
En deden we onze plicht met vroom gemoed,
En leerden braaf, en waren altijd zoet,
Zou Hij ons leiden op al onze wegen.

En vlak na 't bidden praatte je niet hard:
'T was of een heel fijn, een heel prachtig ding
Rondom het eten over tafel hing;

En dankbaar was ik dan met heel mijn hart,
Dat we zo prettig bij elkander zaten;
Behalve 's Maandags, als we zuurkool aten.




J.A. dèr Mouw (1863-1919)

zaterdag 27 februari 2016

 Zondag



28


februari

Brief aan de tuinman I
Ik ben de wildgroei langs uw hagen
Ik ben de kruiper in uw gras
Ik ben een onuitroeibaar ras
Ik ben uw smart, uw jammerklagen

Ik blijf, ondanks uw giftig bad
Uw toegenegen zevenblad

Brief aan de tuinman II 

Ik ben de wildgroei langs uw beukenhagen
Ik ben de slinkse kruiper in uw gras
Ik ben welhaast een onuitroeibaar ras
Ik ben uw diepe smart, uw jammerklagen

Ik blijf, al gaf u mij een giftig bad
Uw immer toegenegen zevenblad


Hanny van Alphen

zondag 14 februari 2016


 Zondag



14


februari

Een liefde (xiv)

Seizoenen komen en seizoenen keeren:
De aarde wentelt in de zelfde baan.
Wat gistren bloeide is vandaag vergaan:
Alles wat stof is zal tot stof verkeeren.

De wind komt over uit de zelfde sferen;
De boomen ruischen waar geliefden gaan;
Soms blij, soms droef, zien wij elkander aan:
Enkel de liefde zal het hart regeeren.



Ed. Hoornik (1910-1970)
uit:
 Een liefde (1941)