zaterdag
20
Augustus
zaterdag
20
Augustus
vrijdag
12
Augustus
Maanlicht
Mijn kamer, waar ik argeloos
Daar straks kwam binnen loopen,
Verlangende alleen te zijn,
Waar ik mij veilig dacht,
Was mij door ’t felle manelicht
Ontvreemd, dat door het open-
geslagen venster binnenkwam
Uit klaren zomernacht.
O, dat gewetenlooze licht!
Dat rustig lag te slapen
Op ’t koele bed, waar ik zoo graag
Mijn hoofd verbergen ging,
En dat mijn lieve kamer in
Een lichtgrot had herschapen,
Waar ieder ding mij vreemd en koud
En zwijgende ontving.
Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Nieuwe verzen (1909)
donderdag
11
Augustus
Hogere wiskunde
Ik heb slechts voor de wetenschap geleefd
en ben verdwaald in machten en quotiënten.
Ik smachtte naar meetkundige segmenten
en was er zelfs in dromen mee verkleefd.
Bij dag en nacht heb ik steeds nagestreefd
de zin te vinden in de exponenten.
Ik heb slechts voor de wetenschap geleefd
en ben verdwaald in machten en quotiënten.
Nu weet ik niet exact meer wat het geeft.
Sinds mijn pensioen ontwikkel ik talenten
voor zon en wind, het deinen van de lente,
voor driften waar geen cijfer vat op heeft.
Ik heb slechts voor de wetenschap geleefd.
Jelle Pieters
zondag
24
Juli
Werkelijkheid
Ik doe zaken
ik heb een heel grote schrijftafel
en mijn gezicht staat moeilijk
ik praat in een telefoon
en ik heb een mijnheer
die juffrouwtjes kan laten werken
en nog meer mijnheren
de juffrouwtjes ruiken zo lekker
ze ruiken allemaal verschillend
de mijnheren zijn in grote jassen
ik bloos er wel van
het lijken wel Engelsen
en ik begrijp niet waarom ze doen wat ik vraag
er was veel zaken vandaag
het waren allemaal bedenksels van mensen
er waren veel dikke die duwden en waren onwillig
ik begreep niet waarom ze zo koppig waren
er waren magere met valse haakjes
en er zat veel in de knoop
het was precies het kistje met oudroest en
touwtjes van mijn grootvader
ik was een vreemdeling
toen ben ik maar gaan wandelen in de bosjes
het was een arme dag, de straat was nat
de zwarte boompjes hadden honger
die trok hun magere vingertjes krom
de wind zei verdrietige verhaaltjes
het novemberlicht was saai en schraal achter
vervelende wolken
maar in mijn hart bonsde de opstand
en ik zei: ik wil een straatsteen zijn.
J.C. van Schagen (1891-1985)
uit: Narrenwijsheid en ander onkruid (1961)
zaterdag
23
Juli
Mijn dag heb ik verdroomd; zoo doe ik
met mijn leven.
De vogels zongen luid hun Julimorgen-zangen,
Mijn eigen hart zong mee, vol weemoed en verlangen.
Ik heb geluisterd — en mijn blad is wit gebleven.
Wel heb ik in mijn ziel de klanken opgevangen,
Nog zie ik op het gras de zonnestralen zweven,
Nog hoor ik melodie, — maar ’k heb geen woord
geschreven.
Ik laat mijn droeve harp aan ’t wilgenloover
hangen.
O vogels, zingt alleen! uw stem houdt mij
gekluisterd.
Vervult met uw gekweel de frissche, groene twijgen.
Mijn oor is onvermoeid, doch laat mijn lippen
zwijgen!
’k Wil spreken — door een traan voel ik mijn oog
verduisterd.
En ware ’t nu niet wreed een lied van mij te
vergen?
Laat mij in ’t fulpen mos mijn aangezicht
verbergen!
Hélène Swarth (1859-1941)
uit: Eenzame bloemen (1885)
zaterdag
16
Juli
Aquarium
In scheemrig groen stukje van de oceaan
zweeft als een schim het zeedier, transparant:
zich zelf vergetend, ziet door glazen wand
de mensengeest ’t ontzaglijk wonder aan,
hoe ’t zieltje, dat in elk trillend orgaan,
teer van doorschijnendheid, onzichtbaar brandt,
’t vreemd, glazen vogeltje zijn fijn als kant
geweven vleugeltje golvend doet slaan.
Zo drijft mijn vers in mij, zelf deel van God;
en iets, dat met verstand en weten spot,
verbergt zich in kunst’ge doorschijnendheid;
en wie het leest, voelt, voor één ogenblik
verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik,
trillen ’t mysterie van zijn eeuwigheid.
J.A. Dèr Mouw (1863-1919)
woensdag
29
Juni
Rondgang door het jaar (II)
Het schoonste, wat ik weet in de natuur,
dat zijn de wolken, als zij het licht drage’ in
hun flanken en zich in de lichtzee wagen,
onbekommerde zeilers zilverpuur.
Hun edele vormen, die nooit verstarren,
maar altijd weer in andere verglijden,
hun stoeten, die zich warren en ontwarren,
als menschlijk gebeure’ in bewogen tijden,
zij maken de ziel blij met hun genade.
Hun diepe grotte’ en stoute steigeringen,
beelden zuiverder dan alle andre dingen
het rijk der ziel, de moeder van de daden.
Henriette Roland Holst (1869-1952)
uit: Tusschen tijd en eeuwigheid (1934)