maandag 27 februari 2017

Maanag
27
Februari

Lente

Het vogelkijn fladdert van klepper de klepper
tot meerdere glorie en eer van haar schepper
het kwinkeleert, fluit, hipt en hopt op en neer
dit alles tot lof van haar hemelse heer

Het danst op haar nestje alleen maar voor god
verdomme…, alwéér is een eitje kapot!


Rudy Menthère

zondag 26 februari 2017

Zondag
26
Februari

En eischt mijn God mijn hart voor zich alleen?

Jaloersche God! hoe naamt gij, éen voor éen,
De laatste vreugden, die mijn rouw nog had!
Zoo kil en donker wordt mijn winterpad.
De laatste gloor van avondrood verdween,
Aan ’t bruine struikhout bleef geen bloem, geen blad.
Ik zoek omhoog een ster – en vind er geen.
En eischt mijn God mijn hart voor zich alleen,
Mijn hart, dat eens tot lieven zich vermat?

   
Ik word gedreven door uw noodlotswind
En ‘k vind niet eens meer tranen voor mijn smart.
En weet gij niet dat uw geslagen kind
Niet kussen kan de roê, die sloeg zóo hard?
Zoo ‘k dof berust verg niet dat nog u mint
Dit door uzelf verbrijzeld liefdehart.

Hélène Swarth

zaterdag 25 februari 2017

Zaterdag
25
Februari


De sappige applen glansen

Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen ’t reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal.

Hélène Swarth (1859-1941)

donderdag 23 februari 2017

Donderdag
23
Februari

De Fantenkoning
 
Voorbij het land van Schorseneren
waar enkel maar de wind nog zucht
niet ver van de Slampampermeren
daar leven schepsels van de lucht
en in dat land van melk en honing
daar flierefluit de Fantenkoning

Wat valt er over hem te melden
hij houdt zich in het bos verschanst
en resideert in slaapbolvelden
alwaar hij louter lappen zwanst
en heel de dag de tijd verknoort
al heeft hij nooit van tijd gehoord

In bussels en langs waterkant
met niemendal in het verschiet
nut hij het niets, en dat constant
al pootjebadend in de vliet
de dagen dievend, en de nachten
met niks en noppes te verwachten

Van een ding weet hij wel van wanten
van duimendraaien wordt hij moe
de koning van het Land der Fanten
dus dekt hij zich met lummel toe
zijn muil gaat standje apegaap
voor een verdiende hazenslaap

Louise

maandag 30 januari 2017

Maandag
30
Januari


Tilburgilburg

Een kruik vol oude pis in Brabants weiden
Een klonterig geheel dat stad wil zijn

Een oponthoudje aan een spoorweglijn
Vol mannenzweet en uitgewoonde meiden


Het is een carnaval vol droefenis
Een polonaise van ondode zielen
De laatste snack in oud en ranzig vet

Die slechts gegeten wordt door randdebielen
En zelfs in Brabant noemt men het een smet
Dat zegt genoeg, het is een stinkend oord

Waar levenslust in dampen wordt gesmoord
Ik pak nog liever Adriaan van Dis
Dan dat ik ga naar’t gat dat Tilburgilburg is

Dat Tilburgilburg is een kruik vol oude pis


Peter Knipmeijer

donderdag 19 januari 2017

Donderdag
19
Januari
De pottenbakker

De meester zegt: „geef aan de schaal
De bocht van ’t brood; waartoe een fraai bokáal,
Als toch de drinknap in heur holle hand
Lessching genoeg voor elken dorst omspant?
Vergun tot eenig sieraad Uwe kruik
De guile welving van een gladden buik.
Zwaar is het leven, ernstig; bloed en zweet
Proeft ge aan haar gaven als ge drinkt en eet;
Zorg gij dat, in een soobren vorm geprangd,
Het simpelst vat die bittre vrucht ontvangt”.

Maar, zoo ik voor mijn venster zit en werk,
En in de lijst van ’t raam mij veld en zwerk
Verrukken door hun machtig schilderij, —
De madelieven flikkren in de wei,
Zwaluwen slieren arabesken snel
Van wolk naar wolk, uiteen vouwt de kapel
’t Mystieke wonder van zijn teekenschrift,
Met diamantstift op saffier gegrift,
Dan beeft mijn vinger, wijl de draaischijf snort,
Het blinkend nat over den leemklomp stort,
En onbewust druk ik de weeke klei
Tot kelken, lijk de bloemen van de wei,
En rank en pooprend zwelt omhoog de tuit,
Of daar een vogel opwaarts wiekt en fluit;
In ’t zwierig lijnspel dat ik mijmrend trek
Fladdren de vlinders met hun stom gesprek,
Terwijl ik eindlijk op mijn fijn penseel
Den blauwen schemer van den hemel steel;
En eerst als gaaf het kunstwerk voor mij staat,
Ach, denk ik aan den meester en zijn raad.


Aart van der Leeuw (1876-1931)