zaterdag 4 mei 2019


zaterdag
4
mei

Sprookje

Een koning had 's vijf zonen en een prinses
Zij nu had goudblonde lokken
en ogen als meren die niet konden jokken
En ze was de jongste van de zes
Maar, deze prinses was huwbaar
Vaak gingen de koning en z'n zonen vroeg op pad
En dan joegen ze de hele dag
Terwijl zij thuis te dromen lag en wachtte op
Ze wist niet wat
En deed ze een stap naar buiten
Dan lagen er vreemde prinsen in het gras
Vreemde prinsen te fluiten
Die wisten allang hoe laat het was
En de koning zei: ze kon krijgen wat ze bliefde
Ze kon vrijen met lakeien
Ja maar, zeien de zoons, ja, maar dat is geen liefde
En toen kwamen er drie mannen aan de poort om over liefde te vertellen
En de eerste was een geleerde, en de tweede was een vreemde snoeshaan
En de derde was Hans
En de geleerde mocht beginnen:

Liefde is minnen
En samenzijn
Iets nieuws beginnen, mijn is dijn
Warm van binnen
Verlegenheid, samen in zee, geen ach, geen wee
Maar hola nee, genegenheid
En liefde is niet houden van
Je kan van zoveel vrouwen houwen
Je kan met zoveel vrouwen trouwen
Als je er wat in ziet
Maar liefde is dat niet
Je houdt van kip met appelmoes
En toen knikte de prinses, want ze hield ontzettend veel
Van kip met appelmoes
En toen had de geleerde het over Amor en Caritas
En wat het verschil daartussen was
Over Agapè, Eroos en Filia
Over een diner voor twee met dansen na
En de prinses was stil en zo luisterde ze
En toen ze wat mocht vragen fluisterde ze
En zoenen
Zoenen staat niet in Koenen, zei de geleerde
En ging

En toen mocht de vreemde snoeshaan
En die zei:
O, hoe bestaat het dat ik hou van een lelijke vrouw
Zo lief, zo zacht en toch zo lelijk als de nacht
Zelfs als ze lacht
O, hoe bestaat het dat ik hou van een lelijke vrouw
Ik sluit m'n ogen en haar hand sluit in mijn hand
Juist zo klein als zij moet zijn, precies zo fijn als zij moet zijn
Als wijn die je zacht ondermijnt, overmant
En dan weet ik dat ik hou van een beeldschone vrouw
Die zon verduistert, meer zingt dan fluistert
Naar niemand luistert
O, dan weet ik dat ik hou van een beeldschone vrouw
Maar als ze langs sjokt als een paard
Een lelijk paard
De kop omlaag, de vormeloze dijen
Die kinderen doet schreien en schichtig springt en jachtig verder jaagt
Dan oog ik naar de vrouw waarvan ik hou
Ze komt weerom, ik sluit m'n ogen
Dat is dom
Ik weet niet goed wat ik moet doen met deze vrouw
Waarvan ik hou

En toen mocht Hans.
En Hans zei: Ja, ik weet het nog niet
Maar, het moet een meisje zijn met
Prachtige kleren en goudblonde lokken
Met ogen als meren die niet kunnen jokken
Een mond als van honing en dan weer scherp als een mes
En hopelijk is haar vader koning en zij dan prinses
Maar
Ze moet Liesje heten

En toen keek de prinses hem aan en zei:
Ik heet Esmeralda
Maar zeg maar Liesje

Tekst En Muziek Joop Visser

Album Jaap Fischer



donderdag 25 april 2019


donderdag
25
april


Evangelische polonaise

(Houd er de moed maar in)
En van je hallelujah heb je het al gehoord?
Heb je het al gehoord?
Heb je het al gehoord?
En van je hallelujah heb je het al gehoord?
't Vleesgeworden woord

(Toffe jongens)
U moest eens weten wat Hij allemaal heeft geleden
Hij was een paria
Dus gaat u zelf maar na
U moest eens weten hoe gemeen ze tegen Hem deden
Hij stierf op Golgotha
Ook voor u

(Overal)
Ook voor u
Ook voor u
Is Hij heengegaan
En weer opgestaan
Ook voor u
Ook voor u
Staat de Heer voortaan op het menu

(Als je pas getrouwd bent)
Jezus wou een picnic houden op Gethsemane
't Was een leuk idee
Iedereen ging mee
Maar er waren helemaal geen koekjes bij de thee
En Hij werd gearresteerd

(Omdat het zo lekker is)
En voor het kantongerecht
Heeft Hij het toen uitgelegd
De zaal was goed gevuld maar de kritieken waren slecht

(Jajem moet er zijn)
Kruis Hem, kruis Hem
Riep men algemeen
Kruis Hem, kruis Hem!
Doe het nu meteen!
Er werd geklapt
Er werd getapt
Er klonk een vrolijk feestgedruis
Toen Hij was veroordeeld tot een dagje aan het kruis

(Laat de klok maar luiden)
En na het wrede plagen
Met doornenkroon en zweep
Moest Hij zijn kruis gaan dragen
Het was nog een heel gesleep (faldera)
U hoeft ook niet te vragen
Hoezeer Onze Vriend hem kneep

(Op een klein stationnetje)
Want Hij werd op Golgotha
Aan het kruis bevestigd
Met een aantal spijkertjes
Een heel secuur karwei
Met vereende krachten
Werd het overeind gezet
Een twee drie, hup
Daar hing Hij

(Hoepelepoep zat op de stoep)
O Vader, ze zijn wat achteloos
U moet het ze maar vergeven
O Vader, maak U toch niet zo boos
Ze weten niet wat ze doen
O Vader
O Vader
Wees genadig
Wees genadig
O Vader
O Vader
Want ze kennen geen fatsoen

(Naar de Zaan)
Heden zult gij met Mij zijn in 't paradijs
Dat kan Ik u garanderen, altijd prijs
Ik verzeker u dat gij daar wezen zult
Dus gij moet niet zeuren, eventjes geduld!

(Lang zal hij leven)
Vrouw zie uw zoon en zoon zie uw vrouw
Kijk eens naar hem en kijk dan gij naar haar
Kijk dus naar elkaar
Wat een enig paar
(Ja, wij willen vrolijk zijn)
Eli, Eli, lama sabachthani
Eli, Eli, lama sabachthani
Waarom hebt Gij Mij voor schut gezet?

(Gooi los de kabeltouwen)
Mij dorst
Mij dorst
Waar blijft de drankvoorziening?
Wat is dat voor bediening?
Wat is dat voor een troep?
Wat is het resultaat van Mijn onverpoosd geroep?
Niet eens een glaasje water of een kop tomatensoep

(Hij leve hoog)
Het is volbracht, het is volbracht
Het is volbracht, het is volbracht
Volbracht
Volbracht
Het is vol-

(Zie de boerinnekes)
Vader, 'k beveel Mijn geest in Uwe handen
Het is de hoogste tijd
Dat Ik eens overlijd
Maar ter verhindering van misverstanden
Ik kom weer uit mijn graf
Dus wacht nog even af

(Io vivat)
Ik kom, Ik kom
Eerstdaags weerom
Het zal inslaan als een bom
Ik kom, en dan verdwijn Ik weer
En op de lange duur verschijn Ik weer
Ik kom, Ik kom
Beslist weerom
In 't belang van 't Christendom!

Drs P. (Heinz Polzer) (1919-2015)



zondag 21 april 2019


zondag
21
april


Kleinst denkbare bron

Kleinst denkbare bron, onder stenen bedolven,
welt op, licht waterlint door de steppe,
waterschicht om rotsen heen de woestijn in
baant een stroomdal dwars door het onbewoonbare,
stevent af op ongenaakbare hoogten,
vaart door dode steden bruisend en muitend
drenkt de wortels van versteende platanen,
plengt oases, vloeit op velden, door tuinen,
waaiert regensluiers uit over rozen.

Huub Oosterhuis



zondag 14 april 2019


zondag
14
april

Heimwee

Kent gy het land, waar hoog de ceder wies?
Een adem Gods door ’t moerbeiboomdal blies?
Van ’t eĂŞlste bloed de bruine druiftros zwol?
De olijftak glom, van malsche koornen vol?

Kent gy dat land? daarheen, daarheen,
o Leidsman mijner vaadren! voer mijn schreĂŞn!


Kent gy de stad? Haar hoog en heerlijk huis
Beeldde, eeuwen door, by palm- en lofgeruisch,

Met offerbloed, in ’t heiligdom gebracht,
Den Redder af, door eigen volk geslacht.
Verstrooide schaar, daarheen, daarheen!
De Rijkstad ligt niet voor altoos vertreĂŞn.


Kent gy het volk? Zijn dooden leven weĂŞr!
Zijn stammen gaan weĂŞr opwaart, God ter eer.
Zijn oog aanschouwt wiens hart zijn misdrijf brak.
Vergeving stroomt uit d’ ader, dien ’t doorstak.
Daarheen, o aard, den blik! daarheen.


Isaäc Da Costa (1798-1860)



donderdag 11 april 2019


donderdag
11
april


“Wij allen zijn als bloemen van één tuin”,
Tot welke god je bidt kan mij niets schelen,
Geen eigenschap of kleur mag ons verdelen,
Al ben je gay, straight, wit, geel, zwart of bruin.

Zo’n tuin, welk aardig mens wil dat nou niet?
Maar zorg dan wel dat je het onkruid wiedt.

Coenraedt van Meerenburgh 
(Marcel v.d. Driest)



vrijdag 5 april 2019


vrijdag
5
april

Ich fĂĽrchte mich so vor der Menschen Wort.
Sie sprechen alles so deutlich aus.
Und dieses heiĂźt Hund und jenes heiĂźt Haus,
und hier ist der Beginn und das Ende ist dort.
Mich bangt auch ihr Sinn, ihr Spiel mit dem Spott,
sie wissen alles, was wird und war;
kein Berg ist ihnen mehr wunderbar;
ihr Garten und Gut grenzt grade an Gott.

Ich will immer warnen und wehren: Bleibt fern.
Die Dinge singen hör ich so gern.
Ihr rĂĽhrt sie an: sie sind starr und stumm.
Ihr bringt mir alle die Dinge um

Rainer Maria Rilke (1875-1926)










Woorden

Ik wantrouw het woord, een mensch, dat praat,
Het weet van alles het hoe en waarom;
Daar is op aarde geen heiligdom,
Waar niet het woord naar binnen gaat.


En dit heet ‘huis’ en dat heet ‘hond’
En dit heet ‘God’ en dat ‘gebed’,
En noemt men iets, dan weet men het,
En nergens is meer heilige grond.


Der menschen woord raakt alles aan.
- En dan verstomt der dingen lied, -
Hun tuin grenst vlak aan Gods gebied....
Ik waarschuw: blijf van verre staan,


En nader niet met een naam, met een woord,
De juiste term, de gave zin,
Het doode lichaam ligt er in
Der dingen, die men heeft vermoord.

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: 
Iris (1918)