woensdag 26 januari 2022

 

woensdag

26

januari

 

1

Reynaerts canto

Het eikenwoud dat ik als mijn domein beschouw,
Waar ik mijn territorium met plas markeer,
Wacht koud en grijsblauw op een nieuwe dag.

Ik schuifel door het struikgewas en lik
Wat reepjes maanlicht uit een modderpoel.
Ik rol mijzelf ontspannen door het gras.

Dit is een zwoele nacht en niemand denkt
Aan marsmuziek die avontuur belooft. Ik hoor
De trommels van mijn voorgevoel en weet:

Dit is het stille uur voordat de zon opkomt,
Het wonderpunt waarop de tijd bevriest.
Ik smoor de klok tot stilstand, tot de tijd

Zijn greep op al wat droomt verliest.
Er is een letterkunde die mij sluw en listig
Noemt, die ervoor kiest mij als bedrieglijk

En bloeddorstig te beschrijven. Ik gruw
Van die verbeelding en betreur de smadelijke
Schaduw die mijn literaire waardigheid bedekt.

Vandaar dat ik de sleur doorbreekt en mij
Middels terzinen tot de mensen richt.
Ik wil vervellen van de boevengeur die aan

Mijn huid en haren kleeft. En dus verdicht ik
Het verhaal van mijn ontmoeting met een
Plichtsgetrouwe en gedreven jonge vrouw.

Mijn inzet is niet minder dan totaal, ik wil
Bereiken dat de handvol literair geschoolden
Kennismaken met een cruciaal relaas.

Ik ben gaan kijken toen de hemel brak en
Er vanuit het vingerknippend niets een jonge
Dame uit de hoge eiken viel. Ik zag haar liggen

Als een aangevlogen en verwonde kip, al was
Zij onmiskenbaar mens. Mijn tong natte mijn
Lippen en toch beet ik niet. Ik heb het meisje

Naar mijn hol gesleept en haar van hoofd
Tot tenen schoongelikt. Toen zij ontwaakte
Staarde zij langdurig in de ogen van een vos.

Zij leek niet eens te schrikken toen ik mij
Als Reynaert aan haar presenteerde. Ondanks
(Of juist dankzij) haar jeugd was zij geen bangerik.

Zij initieerde een gesprek door mij te vragen
Hoe het kon dat ik haar als bekend voor kwam.
Het was een vraag die mij erg inspireerde en

Mij aanzette tot een breedsprakig monoloog:
‘Nee,’ zei ik. ‘Wij kennen elkaar niet persoonlijk
Maar, wellicht, als jij hebt opgelet, dan

Is jou welbekend dat ik de kroon ben op
Een letterkunde die sinds mensenheugenis
Bestaat. Ik woon onder de mensen in

Het deel van hun geheugen dat de kennis
Van de taal herbergt.’ Ik gaf mijn gast
Een kopje thee en kneep mijn hybris nog

Wat verder uit. Het kwam vast door mijn
Erudiete enthousiasme dat zij mij
Verraste met een ademloos geduld.

Ik legde mijn visite niet alleen de inhoud
Van mijn dierenepos uit maar ook de
Impliciete boodschap, en die luidt: een

Schooier treft geen blaam zolang het bos
Waarin hij hamstert van bedenksels is gemaakt.
Mijn uitgesproken microkosmos werd verstoord

Toen zij haar stem als een geschenk verhief
En mij vanuit de stilte zachtjes zei: ‘ik wil
Geen van uw vele haren krenken of de indruk

Wekken dat ik om u lach. Maar nu ik u zo
Zelfbewust hoor spreken, hoop ik dat ik ook
Iets vragen mag? U bent bekend met alle

Grote dichters, met het koor van barden dat
Nog altijd klinkt.’ Zij sprak tot mij over de
Meteoor die haar talent hartstochtelijk

Had aangezet. ‘Mij wordt nu wijselijk geadviseerd
Als voorbereiding op een dichterschap
Mijn schrijfgerei nog niet ter hand te nemen

Maar me doelgericht te onderwijzen en
Te parelduiken in de overvloed. De literaire
Canon van de reuzen geeft mij inzicht in wat

Mijn talent vermag.’ Het deed mij goed
De jonge vrouw te horen en te luisteren naar
Haar gedachtegang. Ik sprak haar moed in

Door te zeggen dat zij als het koren op de
Literaire molen was. ‘Jij bent de brandstof op
Een tanend en bijkans verloren vuur.’

Verscholen in een ingehouden meisjesgêne
Keek zij wat bedeesd opzij. Het eerbetoon
Kwam op haar wangen tot een onverholen

Rode waas tot bloei. Mijn vossenstreek trof
Doel. De prenatale dichter was gevoelig
Voor mijn compliment. Dat bleek toen zij

Het woord weer nam en mij stoutmoedig vroeg
Of ik bereid was haar te steunen bij haar werk.
‘Ik ben op zoek naar een standvastig mens

(Of dier) om op te leunen nu ik mij in een
Labiel domein beweeg. Ik wil niet slechts
Gedichten lezen maar ze hardop horen dreunen

Tot het ritme van de taal mijn ziel doorboort.
Mijn prille dans is nog te vergelijken met een
Kinderfiets met zijwieltjes. Helpt u mij

Balans te vinden zodat ik zelfstandig koers
Kan zetten op de lange weg die mijn talent
Voor mij heeft uitgezet?’ Ondanks de glans

Die aan haar wangen kleefde wist ik dat
Zij zonder twijfels tot mij sprak. Zij was niet
Bang maar zelfverzekerd en vooral: bereid.

Ik onderbrak de stilte die mijn burcht
Bevangen had door in te stemmen met
Haar wens. ‘Schrijven is een vak,’ zei ik,

‘En ik beaam dat elk nieuw gildelid als
Ongeschreven leerling aan de start verschijnt.
Dus laat je zakken in het warme bad

En vul je brein en hart met alle poëzie die
Sinds de aanvang van de kosmos is ontstaan.’
‘Dat was ik al van plan!’ riep zij onnodig hard,

‘Ik zoek alleen iemand die mij is voorgegaan
En mij heel specifiek kan wijzen op de teksten
Die ik in de overweldigende oceaan van taal

Onder geen beding mag overslaan. Er is zo veel
Beschikbaar en de massa's boeken in de
Leeszaal staren mij als snoeihard oordeel aan.’

‘Ik ken iemand die kan voldoen aan jouw verzoek,’
Zei ik. ‘Het is een man die zich hier in het bos
Schuilhoudt en die ik soms bezoek. Wij hebben

Veel gemeen omdat wij beiden losjes in het
Leven staan. Hij is nog slimmer dan de sluwste
Vos en onophoudelijk bereid zijn medemens

(Of -dier) als nachtelijke schaduw bij te staan.’
Ik kon niet zeggen of zij echt begreep waar ik op
Doelde maar zij knikte zenuwachtig en zei: ‘Goed.’

Die ene lettergreep was wat ik nodig had.
Wij werden buiten door de kou verrast.
Ik leende haar mijn berenvellencape en zei:

‘Kom mee! Wij gaan naar Elegast.’




Evi Aarens (2000)



dinsdag 25 januari 2022

 

dinsdag

25

januari

 

 

De Laatste gast

 

'k Was sterk en jong. Geen mens die mededeelde

dat ik ooit oud en gammel worden zou.

Ik dacht alleen: bejaarden zeuren gauw

over hun makken, echte, ingebeelde.

 

Opeens was het zover. Ik had een weelde

aan blonde krullen, die verflensten grauw.

Pijn in mijn rug als ik een reistas sjouw.

Verdoemd de tijd die spataders penseelde.

 

Er is een oplossing. Elk mens wordt tachtig,

maar zonder ziektes, kwalen, iets verdachts.

En daarna sterven we spontaan, eendrachtig.

 

Een groots verjaardagsfeest. Men speecht welsprekend.

De laatste gast komt pas om twaalf uur 's nachts.

Het is de dood. Je hebt op hem gerekend.

 

Patty Scholten (1946-2019)

Uit 'De ziel is een pannenkoek' (Atlas, 2011)




zondag 23 januari 2022

 

zondag

23

januari

 

Levensmoe

Ik hief mijn hoofdje uit de kinderwagen,
en zag voor ’t eerst de mensen om mij heen.
Ik stelde nog een paar gerichte vragen
en wist genoeg. En was gelukkig weer alleen.

Levi Weemoedt



woensdag 19 januari 2022

 

Woensdag

19

januari

 

 

George

 

Hij heeft natuurlijk recht op snipperdagen
En paas- en pinksterdagen sowieso
En op vakantie volgens cao
Vier weken zelfs, hij heeft dus niets te klagen

Dan was er dat moment dat hij ging trouwen
Daar horen dus wat vrije dagen bij
Een sterfgeval met ook weer dagen vrij
Een dag of twee, hij moest toch kunnen rouwen

Zijn moeder ziek, hij moest haar gaan verplegen
Een nichtje te verhuizen naar de stad
Alsof hij zelf geen bezigheden had
Maar ja, familieman, dat hou je dan niet tegen

Mijn butler is gedienstig en attent
Helaas is hij voornamelijk absent

 

Bas Boekelo



maandag 17 januari 2022

 

maandag

17

januari

 

 

De Schepper peinst

 

Dat ik de mens heb uitgerust met oren
Getuigt bepaald van mijn voorzienigheid
Zo kan hij goed zijn brillenpoten kwijt
En raken mondkapjes niet snel verloren

Het luisteren - ooit het primaire doel -
Is achteruitgehold voor mijn gevoel

 

Hendrik te Paske




zondag 16 januari 2022

 

zondag

16

januari

Jongens avondgebed

Bewaar ons in den nacht, o Heer
en leer ons voor de zonde vreezen
laat gauw mijn zeere knie genezen
en maak het morgen heel mooi weer
— en zegen lieve Corrie, Heer.

A.J.D. van Oosten (1898-1968)



maandag 10 januari 2022

 

maandag

10

januari

 

De prinsen van Montenegro

de hekseketelwijfjes
soms honderd jaren oud en broeiend in een bedstee
vertellen
in ruil voor kaarsen, hete soep
over de prinsen van montenegro, toen:
zij kwamen bij volle maan
op zwarte paarden, sloegen de boeren uit de kroeg
en sloten zich op
met rode vrouwen en zigeunermeiden
wie aan de luiken luisterde
kon zwepen horen, krijsen, huilen
dan weer viool en zang
en uit de schoorsteen stootte gele rook

als zij na zeven dagen weer vertrokken
gemaskerd galopperend
wierpen zij zwijggeld in de straten



Herman Pieter de Boer (1928-2014)